Wat is gelijkwaardigheid? #oorzaakengevolg

Gelijkwaardigheid betekent niet dat we allemaal gelijk zijn aan elkaar,
betekent geen uniformiteit!
Gelijkwaardigheid betekent dat de mensen ondanks al hun persoonlijke
verschillen en kundigheden dezelfde aanspraken kunnen maken op
waardigheid en respect.

Kinderen dagen ons uit
Rudolf Dreikurs en Vicki Soltz
Het kind is in elke fase een volwaardig wezen en niet slechts 
een onaf mens, die nog niet alles kan.
Kinderen hebben het recht te zijn zoals ze zijn, het recht op de dag
van vandaag en het recht op hun eigen dood.

Het recht van het kind op respect
Janusz Korczak
Als ouders niet hardop hun eigen gevoelens en gedachten
delen met hun kinderen, terwijl ze die wel hebben
in de omgang, dan stappen ze uit de gelijkwaardigheid in de relatie.

vrije vertaling uit
Gewoon leven met ongewone handicaps
Hans Bom en Cor de Bode

Ik heb een eigenzinnig stukje 
dat komt ergens heel diep
vanuit mijzelf.

Wanneer ‘iets’
uit dat eigenzinnige stukje
omhoog borrelt
is het niet te stuiten
gaat meestal gepaard met
veel heftigheid en gedrevenheid.

Dat eigenzinnige stukje
heeft eigenlijk geen omschrijving
het omvat alles.

Het wordt geactiveerd door
een geur
een kleur
iets dat ik lees
een gevoel
iets dat ik hoor
proef
of door iets dat ik bedenk.

In de loop der jaren
ben ik handig geworden
om dat stukje ‘iets’
dat naar boven borrelt
woorden te geven.

Ik laat het als het ware
langs mijn hoofd
mijn denken gaan
zoek naar verbanden
geef het woorden.

Wanneer ik
voor wat daar diep binnen
in me borrelt 
een omschrijving geef
klinkt het als

– Gelijkwaardigheid
– Respect
– Eigenwaarde.

Vanuit gelijkwaardigheid
benader ik de wereld
mijn leven
met anderen
de kinderen waar ik een
opvoedingsverantwoordelijkheid voor heb.

Vanuit dat ‘iets’
aan mijn binnenkant
respecteer ik
de eigenheid
van de ander
de gelijkwaardigheid 
naar elkaar.

En wanneer iets
mijn gevoel van rechtvaardigheid raakt?

K. zegt altijd :
‘Stop er een kwartje in
dan komt er voor twee euro vijftig uit.’

Vooral bij dat gelijkwaardig
heb ik een beeld
van een kilo lood
en een kilo veren
op een weegschaal.

Beiden hebben
hetzelfde gewicht
maar een compleet andere
vorm
materie
samenstelling.

Wat wanneer je blaast?
Het in de lucht gooit?
Of het een schop geeft?

Hoe boeddhistische zou je mijn opvoeding kunnen noemen?

De rolverdeling
hier in huis is
dat K. boeddhist is
de Suta’s leest
Pāli leert
Dhamma-talks doet
mediteert
en een stichting opzet.

Ik ben van de 
praktische invulling
over het boeddhisme
het maken van plogjes
met uitleg
de vertaling
naar alledaagse dag.

Onderwerpen
die me al jaren
dicht aan het hart liggen
zijn kinderen
en opvoeding.

Bij mijn recente
zoektocht
naar boeddhistisch opvoeden
kom ik bij

het boeddhaforum.nl
waar de nadruk ligt
op de ontspannen leefstijl
van de ouder.

Ouders van nu
geeft 10 tips
om als ouder
zelf rust te hebben.

Op boeddhakids 
ligt de nadruk
om als ouder
een voorbeeld te zijn
samen te mediteren
je kinderen leren
‘medegevoel’ te hebben.

Alhoewel de opvoeding
van de drie zoons
alweer een tijdje geleden is
put ik nog regelmatig 
uit die ervaringen
voor de tweeling.

De vijf voorschriften
van het boeddhisme

1. vermijd te doden en handel met respect naar alle vormen van leven
2. vermijd te stelen, te nemen van wat niet van jou is of hebzuchtig te zijn
3. vermijd ongeoorloofd seksueel gedrag
4. vermijd te liegen, te roddelen, harde en grove woorden en onzinnig gepraat
5. vermijd bedwelmende middelen en onopmerkzaam gedrag

laat zich
wat mij betreft
prima vertalen
naar mijn leef-
en opvoedstijl.

Regel 3 en 5 zijn
voor mij
onderwerpen
die van en voor
de volwassenen zijn
waarbij je het
je kinderen
voorleeft
en stapsgewijs
bespreekbaar maakt.

Regel 1
was en is
in ons vegetarisch
duurzaam leven
een regelmatig onderwerp 
van gesprek.

Waarbij ik graag
de toespraak
van Chief Seattle 
‘hoe kun je de lucht bezitten’
als ijkpunt heb.

Wat er gebeurt met de aarde
gebeurt met de kinderen
van de aarde.
Als een man op
de grond spuwt
spuwt hij op zichzelf.
Alles hangt met alles samen.

Regel 2 
is verankerd in mijn 
christelijke opvoeding
en het Nederlandse
rechtssysteem.

Regel 4
gaf de meeste uitdaging.

Zolang ik me kan herinneren
heb ik een aversie
tegen straffen en belonen
ben ik een groot voorstander
van ‘oorzaak en gevolg’
en ‘geweldloos verzet’
wat
naar nu blijkt
perfect aansluit bij
het boeddhisme.

Jaren geleden
kreeg ik het boek 
‘kinderen dagen ons uit’
van Rudolf Dreikurs en Vicky Soltz
in handen
over een democratisch
opvoedingsmodel
gebaseerd op gelijkwaardigheid
en wederzijds respect
tussen ouders en kinderen.

Gelijkwaardigheid betekent niet 
dat we allemaal gelijk aan elkaar zijn
betekent geen uniformiteit!
Gelijkwaardigheid betekent
dat de mensen ondanks al
hun persoonlijke verschillen
en kundigheden dezelfde
aanspraken kunnen maken
op waardigheid en respect.

Met name bij
hoofdstuk 5
‘de bedrieglijkheid van straffen en belonen’ 
en hoofdstuk 6
‘oorzaak en natuurlijke logische gevolgen’
een manier
om uit de machtsstrijd
te blijven met  mijn kinderen
vielen er alleen 
maar kwartjes.

Beide hoofdstukken
vormden voor mij
de basis om
liegen
roddelen
harde en grove woorden
en onzinnig gepraat
uit te bannen.

Natuurlijke gevolgen 
komen tot stand onder druk
van de werkelijkheid
zonder dat ouders
op een bepaalde manier
ingrijpen
ze zijn altijd doeltreffend.
Naast natuurlijke gevolgen
kunnen er ook
afgesproken gevolgen zijn
die gebaseerd zijn op 
feiten en realiteit.
Kinderen zien heel snel in 
dat logische gevolgen rechtvaardig zijn
en gewoonlijk accepteren ze
deze gang van zaken zonder protest. 

Zo ook de drie zoons
en de tweeling.

Tien foto’s van mijn achtertuin. Tien vragen van Bhante Ānanda op aalmoes-ronde. Tien dagen #corona. Samengevat in drie regels

Tien foto’s 
van de bomen 
in mijn achtertuin.

Tien dagen 
thuis aan tafel
door het corona-virus

Tien dagen 
mijn reflectie op de

Tien vragen van 
Bhante Ānanda
tijdens zijn aalmoes-tocht.

Samengevat in
de DRIE vragen aan mijzelf.

1. Heb ik de manieren en het gedrag die van mij verwacht worden als monnik?
2. Besef ik genoeg dat mijn leven afhankelijk is van anderen; ben ik gemakkelijk te ondersteunen?
3. Op welke manier kan ik mijn lichaam en taal nog meer in overeenstemming te laten zijn als monnik?
4. Ben ik kritisch genoeg over hoe ik met de voorschriften omga en neem ik daar voldoende actie op?
5. Luister ik naar mijn wijze mede-monniken en neem ik hun kritiek, op mijn naleven van de voorschriften, aan?
6. Ik ben gescheiden van iedereen waar ik van hou en alles wat mij dierbaar is.
7. Ik ben de eigenaar en de erfgenaam van mijn kamma (acties).
8. Mijn dagen en nachten gaan voorbij, hoe breng ik mijn tijd door?
9. Geniet ik van eenzaamheid
10. Heb ik mijn monnikenbestaan zo vervuld dat ik er later door mijn mede-monniken naar gevraagd kan worden?
De bomen vanaf de huiskamer op de 1e verdieping

Drie vragen
die ik mijzelf stel
dagelijks
bij nieuwe
en uiteraard
uitzonderlijke #corona situaties:

  1. Doe ik, wat ik doe, met volle aandacht?
    Met volle aandacht betekent
    voor mij
    dat ik al mijn zintuigen
    denken, zien, ruiken, voelen, proeven, horen en mijn instincten inzet
    om te kijken naar de situatie
    wat er gebeurt 
    hoe ik mij kan verdiepen 
    naar waarde inschatten.
    met al mijn capaciteiten
    ontwikkeling
    en ervaring van dit moment.
  2. Gebruik ik iets waarvoor het bedoeld is?
    Een mes
    is een mes en die gebruik ik niet
    als schroevendraaier.
    Mocht ik geen schroevendraaier hebben
    dan kan ik nog steeds dat mes gebruiken
    maar besef ik de gevaren van een mes.
    Zo is het met ALLES
    ook met mijn emoties.
    Boosheid heeft voor mij
    een voortstuwende kracht
    bedoeld om me op scherp te zetten
    te alarmeren
    actie te ondernemen.
    Boosheid gebruik ik om 
    uit een situatie te komen.
    niet om te vernietigen.
  3. Kijk ik naar mijn eigen aandeel in alle situaties?
    Ik merk 
    dat het zó gemakkelijk is
    om de verantwoording bij een ander
    naast me te leggen
    of gewoon uit gemakzucht
    niet te nemen.

Neem nou dat mes
er was géén schroevendraaier
en het moest gemaakt worden
dan kun je het mij 
toch niet kwalijk nemen
dat het mis ging?

Een regelmatige bezoeker van de bomen

Als bodem bij deze vragen
heb ik de gedachte:

Hoe kijk ik
over 10 jaar
terug op deze situatie?

Wat is mijn antwoord
wanneer ik gevraagd wordt
wat mijn keuzes waren
weet ik nog waarom
ik deed wat deed?

Ik kan antwoord geven!

Ik hoop dan altijd maar
dat die ander de tijd heeft
om te luisteren
naar mijn antwoord?

Het zal nóóit
een kort antwoord zijn :-).

De brief van Bhante Ānanda aan de gemeenschap in Nelson, Canada

Wij
K. en ik
wonen niet in Canada
en niet in de buurt 
van Bhante Ānanda.

We hebben contact
met M. en G.
zij ondersteunen
Bhante Ānanda
in Nelson.

Van M.
kreeg ik
deze prachtige foto’s
en de brief
van Bhante Ānanda
aan de gemeenschap
in Nelson.

Aan M. kan ik vragen stellen
vóór Bhante Ānanda
zodat M. ze kan stellen
zonder te vragen.

Sommige vragen brengen
hem in verlegenheid 
zijn niet te beantwoorden
voor hem zoals:
“Wil je dit?”
(monniken geven geen voorkeur aan)
“Wat wil je dat anderen weten?”
(monniken reageren op directe vragen
maar veronderstellen niet te weten
wat een ander wil weten).

Elke vraag
van mij 
die een keuze vraagt
van Bhante Ānanda
is niet te beantwoorden
voor hem.

De brief waarin
Bhante Ānanda
zichzelf voorstelt
aan de gemeenschap
in Nelson.

“Beste gemeenschap,

Mijn naam is Ānanda en ik ben een Canadese boeddhistische monnik.
Ik ben net een paar dagen geleden in Nelson aangekomen en ik zal hier de winter doorbrengen.

Misschien zie je me laat in de ochtend langzaam over straat lopen, met een grote kom in mijn handen. Dit is wat we noemen “op aalmoes-ronde gaan”.

Monniken, in de tijd van de Boeddha, gingen iedere dag op aalmoes-ronde naar de dichtstbijzijnde stad of gemeenschap met hun kom om voedsel te verzamelen om hun lichaam te onderhouden en te kunnen mediteren.

We smeken niet en vragen niet om voedsel. 
We lopen gewoon in stilte met onze kom, aan de kant van de straat, zodat iemand die wil geven en ons wil ondersteunen, voedsel in onze kom kan doen. Monniken nemen niet wat niet wordt gegeven. Dit is, om vele redenen, een zeer belangrijk onderdeel van onze praktijk. We leven alleen van de vrijgevigheid van anderen.

De monniken lopen bedachtzaam en ingetogen, vooral tijdens hun aalmoes-ronde, zodat er geen ongezonde gedachten ontstaan ​​zoals hebzucht of haat. Terwijl we lopen sturen we altijd liefdevolle vriendelijkheid (Mettā) naar iedereen om ons heen. Onze aalmoes-ronde biedt mensen de gelegenheid om vrijgevig te zijn en daar geluk in te ervaren, zoals de Boeddha dat leerde.

Het is prima om mij te vragen om een ​​paar minuten te wachten als je iets wilt geven, maar het eerst moet gaan halen, dit komt ook veel voor. Ik eet maar één maaltijd per dag zoals de Boeddha de monniken instrueerde. 

Het is gebruikelijk om monniken uit te nodigen voor een maaltijd. Ten tijde van de Boeddha was dit gewoonlijk een goede gelegenheid voor de gastheer om een ​​privé-gesprek met monniken te hebben, over de Dhamma te praten of om vragen te beantwoorden die ze misschien hadden over het spirituele leven. De Boeddha en de monniken geven/gaven vaak lezingen na hun maaltijd (op verzoek). We leren of zeggen niets als er geen verzoek of interesse is. We gaan er niet op uit om mensen ergens van te overtuigen, dat is voor ons niet relevant. Dit druist in tegen onze praktijk.

Sommige mensen willen misschien elke dag of op bepaalde dagen van de week een klein beetje geven. Dat is ook vrij gebruikelijk. Er kunnen afspraken worden gemaakt.

Zo kloppen we normaal gesproken niet op de deuren van mensen voor een aalmoes, maar het is moeilijk voor mensen om te weten wanneer monniken langskomen. Iemand zou kunnen zeggen dat ik op hun deur moet kloppen als ik langs hun huis ga, dat is mogelijk als het de wens is van deze persoon.

Vrijgevigheid is de eerste stap op het pad van de Boeddha naar geluk. De Boeddha leerde dat de oorzaak van alle ongeluk, in deze wereld, verlangen is. Vrijgevigheid, geven is het tegenovergestelde van verlangen. Het geeft ruimte in je gedachten, het maakt blij in plaats van je gedachten te beperken en te vernauwen.

Je geest wordt gelukkig, vredig en verbonden. Dit is heilzaam als voorbereiding op meditatie. Vooral wanneer het geschenk gegeven wordt aan iemand waar je, als gever,  vertrouwen in hebt dat hij een deugdzaam leven leidt. 
De Boeddha zei: ‘als mensen maar wisten hoe heilzaam vrijgevigheid was, zouden ze nooit iets nemen of eten zonder het te delen :).’

Monniken houden van bepaalde regels, die we deugd noemen. De belangrijkste zijn:

  1. Zich bewust te onthouden van schade aan enig levend wezen.
  2. Zich te onthouden van nemen wat niet is gegeven.
  3. Zich te onthouden van alle seksuele activiteiten.
  4. Zich te onthouden van valse spraak, hatelijke spraak, verdeeldheid en zinloze spraak.
  5. Zich onthouden van het nemen van stoffen die de geest saai maken en onzorgvuldigheid veroorzaken.

Door deze vijf regels helpen we anderen om vrij te zijn van angst, vijandschap en ellende. Een ieder die op deze manier leeft, neemt ook deel aan de verdiensten die daaruit voortvloeien. Voor degenen die voor de Dhamma zorgen,  zorgt de Dhamma voor hen 🙂

We onthouden ons ook van het accepteren van geld en het doen van transacties. (Aangezien we 2600 jaar geleden ver verwijderd zijn van de context van Noord-India, zorgt iemand vrijwillig voor alle financiële donaties en transacties voor mij.)

En tot slot, als je een vrouw bent, voel je niet afgewezen als ik je niet knuffel of je de hand schud, monniken raken vrouwen niet aan. Dit is niet omdat we tegen vrouwen zijn, integendeel. Dit is een bescherming, voor de vrouwen, voor de monniken en voor de reputatie van de sangha’s (de gemeenschap van monniken).

Als je vragen hebt, kun je ze aan me stellen, het zal een genoegen zijn om ze te beantwoorden.

Nog een prettige dag vol zegeningen :).

Ānanda “

Waarin de betekenis van de aalmoes-tocht van Bhante Ānanda aansluit bij ‘good merit’ opbouwen in tijden van het corona-virus

Alle foto’s staan op de site (https://www.bodhibhavana.org)
de teksten zijn in overleg met Bhante Ānanda en K. 

De bowl is een ander
praktisch symbool
van het boeddhisme
en net als de mantel
een vereiste voor een monnik.

Als  ‘forest’ monnik
eet Bhante Ānanda
zittend op de grond
uit zijn kom.

Dagelijks reinigt
hij zijn bowl
het vuur zorgt 

dat de rand
van de bowl zwart wordt
en de bowl niet meer glimt.

Het is niet de bedoeling
dat een monnik
onafhankelijk
en zelfvoorzienend is.

Monniken leven  
van de vrijgevigheid
en deugdzaamheid
van andere mensen.

Bhante Ānanda heeft
geen voorzieningen
om te koken
hij kan voedsel niet langer 
bewaren dan één dag.

Een monnik
heeft mensen nodig.

De aalmoes-ronde zorgt
dat Bhante Ānanda
in contact blijft
met zijn gemeenschap.

Hij vraagt niet
of jij je iets
wilt ontzeggen
hij smeekt je niet
hij vraagt je niet
om voedsel.

Je geeft omdat
het een voorrecht is
om het eten te maken
en het te mogen geven.

Jouw vrijgevigheid
geeft jou
bij de voorbereiding
een goed gevoel
bij het geven
een goed gevoel
en in het nagenieten
een goed gevoel.

Het geeft je ‘good merit
goede verdiensten
lof
winst.

‘Good merit’ heeft
een beschermende werking
dat zich opstapelt
door goede daden
goede handelingen
goede gedachten.

‘Good merit’ bepaalt de kwaliteit
van jouw leven
draagt bij aan
de groei van jou als persoon
en jouw ‘good merit’
beschermt jou
jouw familie
en je dierbaren.

Bhante Ānanda eet
niet om de smaak
niet om aan te komen
niet voor luxe
het is voor het behoud
​​van zijn lichaam
zodat zijn lichaam
niet een belemmering wordt
door gevoelens van honger
of een verlangen naar eten.

Na het eten vindt hij
voor de middag
een geschikte plek
om te mediteren.

De tien vragen waar Bhante Ānanda op reflecteert tijdens zijn aalmoes-tocht.

Alle foto’s staan op de site (https://www.bodhibhavana.org)
de teksten zijn in overleg met Bhante Ānanda en K. 

In warmere landen
gaan monniken
heel vroeg
op aalmoes-ronde
het is het 
koelste moment
van de dag is.

In de Canadese
herfst en winter
is dat anders
hoe later
hoe warmer.

Vanuit zijn kuti
hoog in de
Canadese bergen 

vertrekt Bhante Ānanda

iedere dag
rond negen uur

voor zijn aalmoes-ronde.

Het kost hem
ongeveer

anderhalf uur
lopen

naar de stad.

Voor zijn hele aalmoes-ronde
is hij ongeveer
vijf uur onderweg.

Als monnik is hij
voor zijn dagelijks voedsel
afhankelijk van zijn
aalmoes-ronde.

De tijd 
die hij onderweg is
gebruikt hij 
om na te denken 
over tien vragen:

  1. Heb ik de manieren en het gedrag die van mij verwacht worden als monnik?
  2. Besef ik genoeg dat mijn leven afhankelijk is van anderen; ben ik gemakkelijk te ondersteunen?
  3. Op welke manier kan ik mijn lichaam en taal nog meer in overeenstemming te laten zijn als monnik?
  4. Ben ik kritisch genoeg over hoe ik met de voorschriften omga en neem ik daar voldoende actie op?
  5. Luister ik naar mijn wijze mede-monniken en neem ik hun kritiek, op mijn naleven van de voorschriften, aan?
  6. Ik ben gescheiden van iedereen waar ik van hou en alles wat mij dierbaar is.
  7. Ik ben de eigenaar en de erfgenaam van mijn kamma (acties).
  8. Mijn dagen en nachten gaan voorbij, hoe breng ik mijn tijd door?
  9. Geniet ik van eenzaamheid?
  10. Heb ik mijn monnikenbestaan zo vervuld dat ik er later door mijn mede-monniken naar gevraagd kan worden?